09-08-2026

WORK IN PROGRESS x RAC : ONGELIJKE TOEGANG TOT SUBSIDIES

IMG_1148 (8)

Deze bijeenkomst uit de Work in Progress-vormingsreeks, georganiseerd in samenwerking met RAC en Africalia, maakt deel uit van een lopend traject dat wil bijdragen aan een beter begrip van de structurele ongelijkheden in de toegang tot subsidies binnen de culturele sector.

De ontmoeting vertrok vanuit een werknota, die werd geschreven door experte Prisca Ratovonasy. Kunstenaars, ondersteunende organisaties en vertegenwoordigers van overheden deelden praktijkervaringen, kritische analyses en bestaande institutionele kaders.

In haar inleiding lichtte Nathalie Debusschere toe waar de reflectie over ongelijkheden in de toegang tot subsidies vandaan komt. Ze koppelde die aan verschillende persoonlijke werkervaringen binnen de culturele sector waarbij ze leerde hoe bepalend administratieve codes en een sterke schrijf- en dossiercultuur zijn om toegang te krijgen tot financiering.

Haar parcours in theater en dans toont aan dat het beheersen van institutioneel taalgebruik, de juiste formats en de logica van subsidiedossiers een belangrijke ongelijkheidsfactor vormt. Dat geldt vooral voor kunstenaars die werken vanuit populaire, opkomende of niet-tekstuele praktijken.

Vertrekkend van deze vaststellingen wilde de RAC al vóór het artistieke productieproces een bredere denkoefening starten. Subsidies vormen namelijk een toegangspoort tot het kunnen uitvoeren van artistieke trajecten. Financiële steun beïnvloedt namelijk rechtstreeks wie wel – en wie niet – toegang krijgt tot de culturele podia.

Die reflectie kreeg vorm in een werknota, opgesteld samen met consultant Prisca Ratovonasy, en in samenwerking met RABKO en Africalia. De nota werd tijdens deze bijeenkomst voorgesteld terwijl ze nog in volle ontwikkeling is, en diende als basis voor de uitwisselingen in blok 1 en 2. Anderzijds zal deze ontmoeting de verdere ontwikkeling van de nota voeden. 

Informations pratiques

@ Danscentrumjette

Organisé par RABKO, RAC & Africalia

logo-blanc-2

PROCÈS-VERBAL

 

Blok 1 — De schrijfcultuur als toegangsdrempel

Prisca Ratovonasy licht de werknota toe, waarbij ze inzoomt op structurele uitsluiting ten gevolge van de schrijfcultuur.

Uit het onderzoek van Ratonovasy blijkt hoe geschreven taal centraal staat in financieringsprocedures, en hoe die fungeert als een sociale, taalkundige en institutionele marker. 

Verschillende kunstenaars getuigden over de tijd die nodig is om administratieve codes te leren kennen, te begrijpen wat instellingen precies “verwachten” van een dossier, en hun taalgebruik aan te passen aan verschillende disciplines (hiphop, hedendaagse dans, hybride kunstvormen). Sommige multidisciplinaire makers gaven aan dat ze moeite hebben om hun plek te vinden. Hetzelfde geldt voor makers wiens artistieke werk niet gemakkelijk in ‘een hokje’ te steken is.

Ramos David benadrukte dat veel opkomende kunstenaars die begeleid worden door het SPReeKuuR-traject niet beschikken over sociaal kapitaal of een institutioneel netwerk, simpelweg omdat ze nieuw zijn in de artistieke wereld. Juan Rossi wees op de complexiteit van het “volledige parcours” dat vaak verwacht wordt: opleiding, erkenning, residenties, partnerschappen en het vermogen om een innovatief project te formuleren — allemaal stappen die tegelijk genomen moeten worden. Dat is bijzonder moeilijk voor migrant- of queer kunstenaars.

Meerdere aanwezigen benadrukten bovendien dat de markt verzadigd is, vooral in de danssector, en dat structurele engagementen van instellingen tegenover bepaalde kunstscholen de toegang bemoeilijken voor wie daar niet uit voortkomt. Dit leidt tot zeer gesloten institutionele trajecten en kan bestaande ongelijkheden verder versterken.

Blok 2 — Wie krijgt toegang? Vormen institutionele kaders een drempel?

Het tweede deel van de discussie richtte zich op de aanhoudende discriminatoire mechanismen bij de toegang tot financiering. Een voorstel dat ter sprake kwam, was om in dossiers of contracten zichtbaar te maken welke discriminatierisico’s kunstenaars kunnen tegenkomen (racisme, seksisme, enz.).

Prisca Ratovonasy weerlegde deze suggestie en merkte op dat het in de praktijk expliciet vermelden van zulke risico’s soms juist een extra drempel kan creëren, binnen al sterk genormeerde institutionele kaders, en dat het kunstenaars blootstelt aan nieuwe vormen van kwetsbaarheid.

Vanuit de administraties benadrukte Émilie Wacker (FWB) dat spelling of vorm geen selectiecriteria zijn en dat dossiers gezamenlijk of met begeleiding kunnen worden opgesteld. Ze verwees naar bestaande ondersteuningsstructuren zoals gesubsidieerde productiebureaus, federaties (RAC) en netwerken (RABKO). Volgens haar focussen de commissies — die zelf uit personen uit de danssector bestaan — vooral op de artistieke kwaliteit van de projecten.

Ze verduidelijkte ook dat er geen criterium rond nationaliteit bestaat, maar dat de kunstenaar wel een verankering in de FWB moet aantonen. De wettelijke verplichting om een Belgisch adres te hebben bij de uitbetaling van een subsidie kan echter mensen met een administratieve precariteit uitsluiten. Tot slot gaf ze aan dat de FWB bereid is om samen te werken om kwantitatieve gegevens aan de lopende studie toe te voegen.

Vanuit de VGC wees Karina Luytens eveneens op de budgettaire en institutionele beperkingen van de ondersteuningsmaatregelen, terwijl ze de taal- en administratieve barrières erkende die kunstenaars tegenkomen, vooral bij beginners of wie geen Nederlands als moedertaal heeft. Ze noemde begeleidingsprogramma’s voor opkomende projecten (zoals de “A fonds”-projecten en andere vereenvoudigde procedures voor beginnende kunstenaars), maar benadrukte hoe moeilijk het is toegankelijkheid, rechtvaardigheid en strikte regelgeving met elkaar te verzoenen.

Institutionele vertegenwoordigers erkenden verschillende verbeterpunten, zoals de centrale rol van het geschreven woord en taalbarrières. Er zijn pogingen tot vereenvoudiging, maar deze stuiten op wettelijke kaders. Ook werd het idee van mondelinge- of video-presentaties besproken, maar dit stuitte op vragen over cognitieve biases en eerlijke evaluatie.

Een belangrijk thema dat naar voren kwam, is de noodzaak om praktijkervaringen en kwantitatieve gegevens te combineren, om ongelijkheden systematisch in kaart te brengen. Dat blijft echter een uitdaging, zeker in Brussel waar de culturele sector verdeeld is over veel bestuursniveaus.

Verschillende interventies wijzen ook op de beperkingen van projectsteun, die zonder structurele begeleiding op lange termijn moeite heeft om de vastgestelde ongelijkheden in de toegang te verhelpen. Vaak veronderstellen deze maatregelen dat kunstenaars al kunnen voldoen aan institutionele verwachtingen, waardoor dezelfde profielen steeds weer profiteren. Een kunstenaar moet eerst toegang hebben tot een culturele instelling die instemt met coproductie of ontvangst van het project, voordat een subsidie kan worden aangevraagd. Artistieke directies van culturele instellingen fungeren zo als “gatekeepers”.

Omgekeerd lijkt duurzame begeleiding – een combinatie van administratieve ondersteuning, het doorgeven van kennis, netwerken en geleidelijke institutionele erkenning – een relevantere hefboom om kunstenaars uit opkomende, populaire of gemarginaliseerde praktijken duurzaam toegang te geven tot financieringsmechanismen en distributiekanalen.

GESPREK — VISIES VAN KUNSTENAARS EN ORGANISATIES

De bijeenkomst werd afgesloten met een discussie tussen Ramos David (SPReeKuuR), Camille Philippot (Get Down) en Juan Rossi (kunstenaar). Onder leiding van Keisha Strano en Meike de Roest (RABKO) koppelde dit gesprek de bevindingen uit de ontmoeting aan de concrete realiteit van artistieke begeleiding, hiphopdans en hybride makerstrajecten. Dit deel werd opgenomen in een podcast en is niet opgenomen in dit verslag.

BRONNEN / EXTRA DOCUMENTEN

SPReeKuuR – Begeleiding voor artiesten met een diverse referentiekader en/of artiesten die zich richten op nieuwe hedendaagse kunstvormen

Aarzel niet om opnieuw contact met ons op te nemen voor meer informatie  (keisha@rabbko.be)