Documentatie

rekto:verso | Erik Min: Wat van iedereen is, is van niemand

Wat met de federale instellingen van België? Deze tekst van Eric Min is de inleidende lezing van de tweede avond van de debatreeks 4x4, ‘cultuur onder rechts bestuur’, van CAMPO en rekto:verso, uitgesproken op 24 februari 2015. Een liefdesverklaring in oorlogstijd, waar hij op zoek gaat naar de redenen waar het voor die instellingen foutgelopen is. Hieronder een aantal citaten. 


Het begint al bij de verzamelnaam voor deze organisaties. In de omschrijving ‘federale wetenschappelijke en culturele instellingen’ hoor je ambtelijke hoofdletters opklinken en ruik je het parfum van de staatshervormingen uit de jaren tachtig van vorige eeuw. Een benaming als deze is op zich eigenlijk al een eersteklasbegrafenis. Een kind dat je koestert, geef je toch een naam die doet verlangen naar warmte en nabijheid ? Neen dus. Wikipedia weet dat elk van deze fameuze Belgische fenomenen staat voor – en ik citeer – ‘een door de Federale Overheid gefinancierde wetenschappelijke of culturele instelling die niet geregionaliseerd is’. Laat ons – enigszins naïef misschien – aannemen dat het nu net dit was wat de staatshervormers van toen bedoeld hebben: dat we deze instellingen onder het deugdelijke bestuur van de federale staat België plaatsen om ze op professionele wijze te beheren en te ontsluiten ‘tot nut van ’t algemeen’. Dat ze precies daarom federaal zijn gebleven, buiten en boven het gewoel van de talen, de gemeenschappen en de gewesten – omdat ze dus ons allemaal toebehoren. Mocht dat het geval zijn, dan heeft de geschiedenis deze zienswijze intussen ingehaald. Intussen werd hier en daar een lekkend dak gedicht. Het digitaliseren van archiefdocumenten verloopt uiterst traag. Schilderijen en sculpturen zitten verborgen in de reserves omdat er geen gebouwen of mensen voorhanden zijn om ze te tonen. Noemen we een dergelijke situatie niet ‘schuldig verzuim’? Ja dus. Is het helemaal anders gesteld op de andere beleidsniveaus – ik noem Vlaanderen, de provincies, de steden en gemeenten ? Neen dus. Maar wat op het beruchte ‘federale niveau’ gebeurt, is veel en veel erger: het gaat om sluipmoord, om regelrechte verwaarlozing. Dat is mijn tweede punt: wat iedereen toebehoort, is van niemand. [...] het simpele feit dat onze kroonjuwelen zich bijna allemaal in de hoofdstad bevinden, komt hun imago niet ten goede. Brussel zou een onwaarschijnlijke troef moeten zijn. Nu is het vooral een probleem. Investeren in de federale instellingen betekent dat je geld pompt in het veeltalige Brussel. En bijna niemand houdt van die sleetse, onbegrijpelijke en onverstaanbare stad waarin bijna één inwoner op drie in armoede leeft. het beheer van de federale instellingen was en is niet altijd een toonbeeld van efficiëntie. Precies omdat deze huizen decennialang in het verborgene hebben gefunctioneerd – ongezien, en dus met rust gelaten – gingen politieke stammentwisten, foute benoemingen, arrogantie en onkunde vaak hand in hand. Dat de huidige besparingsronde veel wegheeft van een (even goed politiek geïnspireerde) afrekening in het milieu, zal dan ook niemand verbazen. Dat niet alleen enkele koppen zullen rollen, maar dat het erfgoed zelf in gevaar komt – daarvan ligt niemand wakker. Ook de belastingbetaler niet, zo blijkt: de federale en Vlaamse regeringspartijen die snoeien in cultuur krijgen van hun kiezers een daverend applaus. ‘Waarom moeten mijn centen naar de opera gedragen worden, meneer?’ Ronduit schrijnend is het intussen gesteld met de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. Op 1 februari was het vier jaar geleden dat de collectie moderne kunst in de kartonnen dozen belandde en naar het depot werd gestuurd. Sindsdien kregen wij er hooguit een Fin-de-sièclemuseum voor in de plaats. Maar als het goed is zeggen we het ook: grote baas Michel Draguet weet perfect waarmee hij buitenlandse toeristen kan lokken – met Magritte en met de kroonjuwelen uit onze sterkste periode rond 1900, dus. Dat de rest van de collectie intussen staat te beschimmelen, is de keerzijde van de medaille.

Wat doe je eraan ? Een cultureel akkoord tussen de gemeenschappen onderling en eentje tussen de federale staat en de gemeenschappen zou een begin van oplossing kunnen bieden. Maar, met enige overdrijving gesteld: Vlaanderen had tot in het recente verleden de neiging om vlotter culturele akkoorden af te sluiten met Bantoestan of Zuid-Oessetië dan met Wallonië. Hoe dan ook moeten dergelijke akkoorden nog de juiste invulling krijgen.

Structurele onderfinanciering is de oorzaak, een puinhoop het gevolg. En precies die puinhoop zal nog groter worden.

Of moet je het dossier naar het Brusselse niveau hijsen en een koepel creëren die het hoofdstedelijke cultuurbeleid coördineert, met vertegenwoordigers van de federale overheid, de Vlaamse en de Franse Gemeenschap, het Brussels Gewest en de lokale toeristische dienst?  Een rondetafelconferentie in het leven roepen? Wedden dat er een consensus zal zijn om een en ander ‘performanter’ te maken en beleidsplannen of zelfs een Witboek uit te tekenen? Laat ons al lang blij zijn als de sector overleeft, tout court. Of stellen we een crisismanager aan ? Een regeringscommissaris? Wat voor de griepepidemie en de terreurbestrijding kan, moet ook voor cultuur kunnen. Een vleugellamme staatssecretaris met zes à zeven bevoegdheden is geen optie meer. Want het is geen vijf voor twaalf, maar vijf na twaalf.

Ach, we kunnen overleggen tot we een ons wegen en desnoods de acht – acht! – ministers die met cultuur in Brussel te maken hebben, in een kamertje opsluiten om samen een oplossing uit te dokteren, maar het enige punt waar het echt om draait is: geld. Lees de volledige tekst 'Wat van iedereen is, is van niemand', rekto:verso 65, februari-maart 2015.

Beleid Communicatie