Politieke reacties | Cultuur in Brussel: een belangrijke stap naar meer samenwerking op beleidsniveau (update 12 februari)

De thema's die tijdens het panel van 12 januari 2015 'Cultuur in Brussel: een belangrijke stap naar meer samenwerking op beleidsniveau' behandeld werden, zijn ook opgepikt door de politieke wereld. Zowel in het Vlaams Parlement, het parlement van de Franse Gemeenschap, als in de plenaire vergadering van de Cocof, werden de bevoegde ministers erover geïnterpelleerd. 


1) COMMISSIE CULTUUR van het VLAAMS PARLEMENT ( 22 januari 2015) Tijdens de vergadering van de Commissie voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media van 22 januari 2015, kreeg minister Gatz vragen van Joris Poschet (CD&V), Yamila Idrissi (sp.a), Jean-Jacques De Gucht (Open VLD) en Cathy Coudyser (N-VA). Iedereen is het er - over de partijgrenzen heen - over eens dat samenwerking met de Franse Gemeenschap logisch is. De vragen gingen over de concrete invulling van die samenwerking (wordt het een informele koepel, een taskforce, een interministeriële conferentie?), wie de leiding neemt, welke thema's er zullen besproken worden, hoe het zit met de financiering, wat is de timing,... Lees het volledige verslag hier >>> Hieronder hebben we enkele fragmenten uit de tussenkomst van minister Gatz verzameld. Over de invulling van het samenwerkingsakkoord: De contacten tussen de twee kabinetten van minister Milquet en mezelf zijn veelvuldig en nog steeds gaande. Alleen moet er op een gegeven moment afgeklopt worden: welke zaken uit het cultureel samenwerkingsakkoord doen we al en kunnen we beter doen? Het gaat vaak over een hele reeks kleinere dingen. Ik geef het voorbeeld van hoe wij extern, in de richting van Europa, samenwerken. Dat is niet de kern. Dat was een van de dingen die we al deden. Dan gaat het ook over zaken die we samen belangrijk vinden maar die op een ander niveau moeten worden gerealiseerd, bijvoorbeeld het kunstenaarsstatuut, dat hoofdzakelijk op het federale niveau wordt bepaald. We hebben er beiden voor gekozen om het samenwerkingsakkoord niet louter in te vullen met punctuele kleinere dossiers maar om toch ook te proberen om een inhoudelijk platform te creëren: wat kunnen we samen doen waar de mensen iets aan hebben? We beginnen daar graag mee in Brussel omdat de samenwerkingsgrond daar vruchtbaar is en omdat het ons een goede start lijkt. Maar het mag niet daartoe beperkt blijven, dat zou een te beperkte invulling zijn. Over de samenstelling van het samenwerkingsplatform: Eind december hebben we de Vlaamse samenstelling van het samenwerkingsplatform bepaald. Er is een vast stramien van acht mensen, de twee ministers, twee leidend ambtenaren en dan telkens tweemaal twee mensen van het werkveld in de brede zin van het woord. Wij hebben in de regering die mensen aangeduid op 19 december. De Franse Gemeenschap had in de vorige legislatuur wel al mensen aangeduid, maar ze hebben nog geen vervangers. Die aanduiding zal eerstdaags gebeuren. Het platform zal letterlijk een platform zijn waarop de verdere samenwerking zal worden gegrondvest. Het zal niet van bovenaf dingen bepalen zonder met BKO, de Brusselse Museumraad of andere instellingen samen te werken, maar er moet wel een vaste structuur zijn, die een beetje automatisch begint te werken. Over het politiek panel van 12 januari: Er was ook de fameuze bijeenkomst van vorige week maandag. Men kan er op twee manieren naar kijken. Ik heb dat ook gemerkt toen ik daarover communiceerde. Ik vond het op zich geen grote verwezenlijking, maar wel aardig dat we er allemaal waren. BKO liet ons trouwens weten verwonderd te zijn dat elke minister zo snel geantwoord had dat hij of zij aanwezig kon en wilde zijn, en er ook was. Dat is inderdaad niet altijd vanzelfsprekend. Het feit dat we samen een staatsiefoto maakten, is eigenlijk niet zo een gek idee. In het begin zei het me niet veel, maar uiteindelijk wordt daarmee een soort ‘point of no return’ gemarkeerd. [...] Het was een goed debat. [...] In het debat waren de meningen verdeeld: samenwerken ja, maar in welke vorm? Te snel te formeel was voor sommigen moeilijk. Te los heeft ook geen zin, want dan is er niets. In de nasleep van het debat is er een ‘reconsensus’ ontstaan, namelijk dat het eigenlijk aan de twee ministers van Cultuur is om het initiatief te nemen. Dat is goed. Het is zoals bij een sprint. Er moet worden getemporiseerd, want als je de sprint te vroeg aantrekt, dan win je meestal niet. Ik wilde ook weten wat het draagvlak was, wie op welke manier initiatief neemt. Zowel uit Brussel als uit de federale overheid kwam er wel degelijk het signaal dat het normaal is dat de twee gemeenschappen het initiatief nemen. Natuurlijk moet ook goed teruggekoppeld worden naar Brussel en naar de federale overheid. Over het formaliseren en de agenda van het samenwerkingsplatform:

Het lijkt me nuttig – dat zal ook een van de gespreksonderwerpen met mijn collega zijn – om samen te bekijken hoe we dit overleg op gang brengen. Hoe zullen we het noemen? U weet dat er in een federaal land iets bestaat als samenwerkingsfederalisme. Dat uit zich concreet in interministeriële conferenties. Wanneer die samenkomen, moeten ze goed voorbereid zijn en moet er effectief een agenda zijn.

Er mag een longlist zijn. Er zijn heel veel verlangens ook vanuit het werkveld zelf – mevrouw Idrissi verwees ernaar. Het is gemakkelijk om een agenda te maken met vijftig punten, alleen moet je weten voor je aan het overleg begint dat er drie tot vijf punten zijn die vooraf alvast op de agenda van iedereen mogen en moeten komen en waarbij men voelt dat een significante vooruitgang mogelijk is.

Gaat dat over wat Pascal Smet, zeker niet onterecht, gelanceerd heeft, namelijk de fameuze gemeenschappelijke agenda om het gemeenschappelijke cultuuraanbod veel zichtbaarder te maken? Dit is alvast een meer dan logisch agendapunt. Ik neem aan dat ook andere ministers andere dingen op de agenda willen plaatsen. [...] Belangrijk is nu het effectief formaliseren van de samenwerking. Zelfs al is het een interministeriële conferentie en nog geen informele taskforce of nog geen koepel, er moet een moment worden gecreëerd waarop wel bijeengekomen zal worden. Het is logisch, mevrouw Idrissi, dat dit in een zekere beslotenheid gebeurt. U kon moeilijk verwachten dat we vorige week maandag in Elsene daadwerkelijk hadden vergaderd. [...] Het klopt dat er al een hele agenda op gang is gebracht maar dat het lijkt alsof er niets is gebeurd. Het enige verschil met het huidige momentum is dat de agenda de voorbije vijf jaar, terecht, bottom-up is ontstaan, met name door BKO en RAB. Nu zijn we aan het zoeken hoe we top-down de juiste raakpunten kunnen vinden. U moet het eigenlijk als een beeld bekijken. Bottom-up wordt een berg gecreëerd met allerlei verwachtingen. Terecht. Er is een brede basis en een scherpe punt. Wij zijn nu omgekeerd aan het proberen met een omgekeerde driehoek een trechter te vormen. Het is de bedoeling dat de twee driehoeken elkaar raken zodat daarna het heel smalle doorgangetje dat er nu is, breder kan worden. Dat gaan we nu doen. Met andere woorden het samenwerkingsplatform en de samenwerking tussen Vlaanderen en de Franse Gemeenschap staan op de agenda voor heel binnenkort. [...] Met andere woorden tussen nu en Pasen/de zomer zullen er significante stappen gezet kunnen worden. 

2) COMMISSIE BRUSSEL EN DE VLAAMSE RAND van het Vlaams Parlement (11 februari) In de vergadering van de Commissie voor Brussel en de Vlaamse Rand van 11 februari, die voornamelijk ging over het Fin-de-Sièclemuseum, heeft minister Gatz ook verwezen naar deinterministeriële conferentie over Cultuur, die georganiseerd zal worden: Het is de bedoeling dat wij die [interministeriële conferentie] de komende weken of maanden houden. Ik heb daarover contacten met minister Milquet. Men vindt het in het huidige institutionele landschap logisch dat de ministers van Cultuur van de twee grote gemeenschappen daartoe het initiatief nemen. Ik heb in dat verband ook met minister Reynders, met minister Smet en met staatssecretaris Sleurs contact gehad. Uiteraard heb ik zeer regelmatig contact met mijn bevoorrecht Brussels contact Guy Vanhengel. Maar ook de collega’s minister-president Vervoort, minister Lanaan en minister Madrane zal ik de komende weken zeker nog hierbij betrekken. Die afspraken zijn in mijn agenda ingepland. Zo zullen wij op de meest vruchtbare, pragmatische en constructieve wijze die interministeriële conferentie kunnen stofferen. Lees de volledige handelingen van de Commissie

 hier 

>>> 3) COMMISSIE CULTUUR van de Fédération WALLONIE-BXL (14 januari) Woensdag 14 januari werd minister Milquet in het parlement van de Franse Gemeenschap doorIsabelle Emmery (PS) geïnterpelleerd over het politiek panel. Er werd haar gevraagd naar de precieze invulling van het samenwerkingsakkoord met de Vlaamse Gemeenschap en welke Brussele dossiers hierin kunnen opgenomen worden. Ook werd haar gevraagd hoe ze het brede samenwerkingsplatform ziet. Lees het volledige verslag hier >>> (de tussenkomst vind je terug op pagina 10) Hieronder hebben we enkele fragmenten uit de tussenkomst van minister Milquet verzameld. Over RAB: Le réseau des arts bruxellois et son homologue néerlandophone travaillent d’arrache-pied depuis longtemps afin de fédérer ces coordinations. Réussir à réunir tous les ministres impliqués dans la culture à Bruxelles était une grande première. Par ailleurs, on constate un renforcement de la coordination entre les artistes et les opérateurs culturels bruxellois et néerlandophone. Je m’en réjouis. Nous continuerons à soutenir le Réseau. Son rôle de coordination est essentiel. Over het samenwerkingsplatform: J’ai dit clairement que j’étais tout à fait favorable à l’instauration d’une plate-forme informelle, dans un premier temps, pour ne pas entrer dans des débats institutionnels et avancer rapidement. Nous devons avoir une approche pragmatique parce que Bruxelles a besoin d’une coordination et d’un décloisonnement des politiques culturelles, parce que nous avons besoin d’une meilleure cohérence entre les différents acteurs, d’une vision stratégique commune, etc. Nous devons avancer de manière pragmatique. Si on l’officialise, les questions de la place de la Région, de la Communauté, de la façon dont les représentants des entités fédérées s’intègrent ou non dans les outils fédéraux, vont se poser Et nous sommes repartis pour des débats sans fin... Je défends l’idée d’une plate-forme informelle réunissant les responsables politiques pour aborder des sujets qui nous intéressent collectivement, pour voir quels grands projets nous pouvons soutenir ensemble et cofinancer, pour discerner quels partenariats nouer entre les pôles des musées et aborder des questions vraiment concrètes, notamment le dossier du problématique musée d’art moderne. Over het samenwerkingsakkoord met de Vlaamse Gemeenschap: Pour l’accord de coopération avec Sven Gatz, nous nous sommes déjà contactés à plusieurs reprises. Nos administrations respectives ont avancé et se sont déjà arrangées pour établir un cadastre des actions à entreprendre ensemble dès 2015 : initiatives, cohérence et soutien mutuel. Nous avons même proposé d’inviter à la prochaine rencontre nos autres homologues pour assurer cette coordination. Nous nous revoyons prochainement pour finaliser et présenter la manière dont nous développerons des projets conjoints sur Bruxelles, en coordination avec d’autres niveaux de pouvoir. 

4) PARLEMENT de la COCOF (16 januari) Vrijdag 16 januari kwam het politiek panel aan bod in de vragen die gesteld werden aan Fadila Laanan, minister-president van de Cocof en bevoegd voor Cultuur. Naar aanleiding van vragen vanEvelyne Huytebroeck (Ecolo) en Isabelle Emmery (PS) over het belang van theatervoorstellingen over actuele thema's die zich richten tot jongeren, antwoordde minister-president Laanan het volgende: Lors de la rencontre des ministres de la culture, j'ai évoqué la question de la reconnaissance d'utilité publique pour certaines productions. Il ne faut évidemment pas se focaliser sur Bruxelles, qui est la limite de ma compétence: cette reconnaissance a vocation à s'étendre à la Wallonie et au niveau international. La Fédération Wallonie-Bruxelles continue à s’inscrire dans ce dispositif. Il faut des collaborations entre mon administration à la Commission communautaire française et celle de la Fédération Wallonie-Bruxelles pour faire en sorte que cette reconnaissance puisse être donnée à des œuvres qui touchent à la fois les Bruxellois et les Wallons. Évitons le repli sur soi!

Je ne pense pas qu'un "G8" soit nécessaire pour que la secrétaire d'État ou le ministre fédéral compétent pour les institutions culturelles ait à prendre position sur ce genre de dossier. Par contre, j'estime que les ministres des Communautés ont vocation à se prononcer sur ce type de production.
Lees de volledige discussie (p. 30-31) hier >>>

Samenwerking